Log In

Het verhaal van de tempeliers

Dit is het verhaal van de tempeliers, zo dicht mogelijk bij wat historici er daadwerkelijk over weten. Op het eind vind je een lijst van Tempeliersplekken in Portugal en Spanje.

Een handjevol ridders met een vreemd plan

Rond 1119, kort na de Eerste Kruistocht, meldt een kleine groep Franse ridders zich bij koning Boudewijn II van Jeruzalem. Aanvoerder is Hugues de Payns: hij stelt een broederschap voor die pelgrims moet beschermen op de gevaarlijke wegen naar de Heilige Stad. De koning en de patriarch van Jeruzalem stemmen in en geven de ridders onderdak in een vleugel van het koninklijk paleis op de Tempelberg. Dit is de plek die volgens de overlevering boven de ruïnes van de Tempel van Salomo ligt. Vandaar hun naam: de Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo.

In Europa klinkt het idee vreemd. Monniken die zwaarden dragen, ridders die kloostergeloften afleggen…

Bernardus van Clairvaux geeft de tempeliers een stem

Het antwoord komt van Bernardus van Clairvaux, de invloedrijke cisterciënzerabt en telg van de Franse adel. Op het Concilie van Troyes, in januari 1129, pleit Hugues de Payns voor een officiële kloosterregel voor zijn ridders. Bernardus, wiens neef André de Montbard een van de stichters is, steunt hem krachtig, en het concilie keurt de regel goed: armoede, kuisheid en gehoorzaamheid, aangevuld met de plicht het Heilige Land te verdedigen. De ridders krijgen hun herkenbare witte mantel. Het rode kruis op de schouder komt later.

Met de zegen van Rome gaan de poorten van Europa open. Schenkingen, land en nieuwe rekruten stromen binnen, van Frankrijk tot Portugal en Spanje.

Van Parijs tot La Rochelle: een rijk in wording

Terug in Frankrijk groeit de macht van de orde snel. In Parijs verrijst “le Temple”, hun stedelijke vesting en financieel centrum, waar vorsten hun schatten veiligstellen en leningen afsluiten. Aan de Atlantische kust ontwikkelen ze in La Rochelle een havenbasis met een bescheiden vloot. Deze bestaat voornamelijk galeien en koopvaardijschepen voor het vervoer van ridders, pelgrims en goederen. Rond de arrestaties van 1307 gonsde het van de geruchten dat hier in het geheim schepen met Tempeliersschatten zouden zijn weggevaren. Historisch bewijs daarvoor ontbreekt echter, en de meeste onderzoekers rekenen het verhaal tot de niet onderbouwde legendes die de val van de orde altijd hebben omgeven.

Wél goed gedocumenteerd zijn de ordehuizen of commanderijen die in het Franse binnenland verrijzen: kleine eilanden van orde-en-regel in het middeleeuwse landschap. De commanderij van Arville bij Blois, Sainte-Eulalie-de-Cernon en La Couvertoirade op het ruige Larzac-plateau, Avalleur in de Champagne, Coulommiers in de Brie. Het zijn verzamelingen van boerderijen, kapellen en versterkingen waar pelgrims worden ontvangen, ruiters worden getraind en inkomsten worden verzameld. Een deel van deze ordehuizen staat er nog altijd, goed bewaard en te bezoeken.

Zuidwaarts: grenswachters in Spanje

Over de Pyreneeën duiken de Tempeliers al vroeg op langs de frontlinies van de Reconquista. In Aragón bemannen ze strategische burchten als Miravet, hoog boven de rivier de Ebro (aan de orde geschonken in 1153), en Monzón, dat vanaf 1143 wordt uitgebouwd tot een van hun belangrijkste bolwerken. Langs de pelgrimsroutes naar Santiago de Compostela, door Navarra, León en Castilië, bouwen en beheren ze kerken en hospices, zoals de opvallend achthoekige kerk van Santa María de Eunate en het imposante Castillo de los Templarios in Ponferrada. Een ketting van Tempelposten maakt de heilige weg net iets veiliger.

Vroege bankiers: handel in vertrouwen

Terwijl hun forten, kerken en graanschuren zich uitstrekken van de Rijnvallei tot de Atlantische kust van Galicië, groeit een heel andere vorm van macht: hun boekhouding. De Tempeliers ontwikkelen een systeem van deposito's en kredietbrieven waarmee een pelgrim zijn geld in Parijs kan inleggen en het, tegen overlegging van het juiste document, in Jeruzalem weer kan opnemen. Vorsten op oorlogspad kunnen zo betalen zonder kisten vol munten te vervoeren. Historici beschouwen dit terecht als een vroege vorm van bankieren. Mogelijk is dit zelfs de eerste voorloper van de cheque. Achter de stenen gevels van de orde schuilt dus niet alleen militaire, maar ook financiële expertise.

Vrijdag de 13de: de val van een orde

Precies die financiële macht wordt hun ondergang. Koning Filips IV van Frankrijk staat diep in het krijt bij de orde. Zijn kroon leunt op leningen en beloften. Op 13 oktober 1307 voert hij een gecoördineerde arrestatiegolf uit: bij het ochtendgloren rammelen sloten in het Temple-complex in Parijs én in commanderijen door het hele land. De beschuldigingen zijn zwaar: ketterij, afgoderij en de verering van een geheimzinnig figuur genaamd Baphomet. Onder marteling leggen tientallen ridders bekentenissen af die, zo erkennen historici inmiddels breed, meer over de pijnbank vertellen dan over de waarheid.

In de gevangenistorens van onder meer het kasteel van Chinon wordt grootmeester Jacques de Molay urenlang verhoord. In 2001 dook in het Vaticaanse archief het zogeheten Chinon-perkament weer op: daaruit blijkt dat paus Clemens V de orde destijds in het geheim heeft vrijgesproken van ketterij. Dit was een absolutie die de publieke veroordeling niet meer kon tegenhouden. De orde wordt in 1312 tijdens het Concilie van Vienne officieel ontbonden. De Molay zelf wordt, na zijn bekentenis te hebben herroepen, op 18 maart 1314 in Parijs op de brandstapel gezet.

Portugal kiest een andere weg

Aan de rand van het christelijke Westen ontvouwt zich een heel ander scenario. In Portugal helpen de Tempeliers al sinds de 12de eeuw mee de jonge grenzen van het koninkrijk te verdedigen: Tomar, met zijn kasteel en ronde kerk, de Charola, staat als stenen kroniek van die strijd. Wanneer de Franse vervolging losbarst, kiest koning Dinis een andere weg: hij erkent de druk vanuit Rome, maar weigert zijn eigen ridders te vernietigen.

Met een combinatie van diplomatie en juridische vindingrijkheid onderhandelt hij jarenlang met de paus. Het resultaat: op 14 maart 1319 keurt paus Johannes XXII de oprichting goed van een nieuwe ridderorde, de Orde van Christus, waarin de Portugese Tempeliers vrijwel naadloos worden ondergebracht. In plaats van kerkers wacht hun een stille metamorfose. Mantels en zegels veranderen, maar de kastelen, waaronder Tomar, de kerk van Santa Maria do Olival (de begraafplaats van de Portugese Tempeliermeesters) en de landerijen, blijven grotendeels in dezelfde handen. De nieuwe orde zetelt aanvankelijk in Castro Marim in de Algarve, tot ze in 1357 haar hoofdkwartier terug verplaatst naar Tomar.

Van tempelridders tot ontdekkingsreizigers

Vanuit Tomar verschuift de blik van de orde langzaam van het Heilige Land naar de oceaan. In de 15de eeuw prijkt het kruis van de Orde van Christus op de zeilen van Portugese ontdekkingsschepen. Infant Hendrik de Zeevaarder, grootmeester van de orde van 1417 tot 1460, financiert zijn zeevaartschool in Sagres mede met haar inkomsten. Waar de orde in Frankrijk letterlijk in vlammen opging, groeit ze in Portugal uit tot de motor achter een zeemacht. Ze heeft eigen inkomsten, een eigen vloot en grote invloed aan het hof.

Wat er echt gebeurde met de ‘verdwenen’ Tempeliers

Na de officiële opheffing in 1312 rijst de vraag: zijn de Tempeliers werkelijk verdwenen? Historisch gezien is het antwoord vrij nuchter: hun bezittingen en vaak ook hun leden gingen op in andere orden. In  Portugal ging dit over in de Orde van Christus, in Aragón en Valencia in de in 1317 opgerichte Orde van Montesa (verbonden aan de Orde van Calatrava) en in gewone wereldlijke structuren.

Vanaf de 18de eeuw duiken in vrijmetselaarsloges, vooral in Schotland, Engeland en Frankrijk, zogenoemde “Tempeliersgraden” op: rituelen, symbolen en verhalen die teruggrijpen op de ridderorde. Historici zijn er overigens vrij stellig over dat een rechtstreekse organisatorisch verband of bloedlijn tussen de middeleeuwse Tempeliers en deze latere broederschappen niet is aangetoond. Dit wordt door zowel historici als de vrijmetselarij zelf grotendeels verworpen. Wat wél klopt: deze loges kozen bewust voor het beeldmerk en de mystiek van de Tempeliers als romantische erfenis. Die associatie blijft krachtig. Tot op de dag van vandaag duikt het rood-witte kruis steeds weer op, als echo van een orde die al ruim zeven eeuwen geleden ophield te bestaan.Cristo_convent_tomar

Tempeliersplekken in Portugal

  • Tomar, Castelo de Tomar & Convento de Cristo (met de Charola): het hart van de Portugese Tempeliers, gesticht rond 1160 door grootmeester Gualdim Pais en vanaf 1357 hoofdkwartier van hun opvolger, de Orde van Christus.
  • Sintra, Kasteel & Comenda van Santa Maria: na de verovering van Lissabon vertrouwde koning Afonso Henriques in 1147 het kasteel en de bewaking van het stadje toe aan de Tempeliers, die er een eigen ordehuis rond de kerk van Santa Maria beheerden.
  • Idanha-a-Velha: dit eeuwenoude stadje — ooit het Romeinse Egitânia — werd in de 13de eeuw aan de Tempeliers geschonken; de nog altijd staande Torre dos Templários rijst op uit de resten van een Romeinse tempel voor Venus.
  • Santa Maria do Olival, Tomar: de “moederkerk” van de Portugese Tempeliers en laatste rustplaats van meerdere ordemeesters, onder wie Gualdim Pais.
  • Castelo de Almourol: een dramatisch op een rivier-eilandje in de Taag gelegen burcht, in 1171 versterkt door Gualdim Pais.
  • Castelo de Soure: de eerste Tempeliersburcht van Portugal, in 1128 geschonken door gravin Teresa.
  • Castelo de Pombal: een van de vroege grensforten van de orde, met vernieuwingen in de vestingbouw uit de jaren 1170.
  • Castelo de Longroiva: in 1145 aan de orde toegewezen, met vroege voorbeelden van versterkte donjons.
  • Castelo de Monsanto: in 1165 aan de Tempeliers geschonken, al ging de burcht in 1172 alweer over naar de Orde van Santiago — een kort maar authentiek hoofdstuk in de geschiedenis van dit iconische granietdorp.
  • Castro Marim (Algarve): de eerste, korte zetel van de Orde van Christus, vóór de verhuizing naar Tomar in 1357.

Tempeliersplekken in Spanje

  • Miravet (Catalonië/Tarragona): spectaculaire burcht hoog boven de Ebro, in 1153 aan de orde geschonken.
  • Monzón (Aragón/Huesca): vanaf 1143 uitgebouwd tot een van de machtigste Tempelierskastelen van Aragón.
  • Castillo de los Templarios, Ponferrada (Castilië en León): imposante burcht langs de Camino de Santiago, in 1178 aan de orde geschonken.
  • Santa María de Eunate (Navarra): opvallend achthoekige pelgrimskerk, rond 1170 gebouwd, met een sterke Tempeliersassociatie.
  • Vera Cruz-kerk, Segovia (Castilië en León): twaalfhoekige romaanse kerk, vermoedelijk door de Tempeliers gebouwd naar het voorbeeld van de Heilig Grafkerk in Jeruzalem.
  • Castell de Tortosa (Catalonië/Tarragona): middeleeuwse vesting die door de orde werd versterkt en uitgebreid.
  • Jerez de los Caballeros (Extremadura): Tempeliersburcht met de beruchte “Bloedtoren”.
  • Castillo de San Servando, Toledo: vroege vesting bij de Alcántara-brug, later met de orde geassocieerd.
  • Peñíscola (Valencia): kustburcht gebouwd tussen 1294 en 1307, na de opheffing van de Tempeliers overgegaan naar de Orde van Montesa.
  • Castillo de Montesa (Valencia): hoofdkwartier van de Orde van Montesa, de directe opvolger van de Aragonese en Valenciaanse Tempeliers vanaf 1317.

Tot slot: waarom deze plekken een bezoek waard blijven

Het echte verhaal van de Tempeliers heeft geen geheime schat en geen ononderbroken geheime broederschap nodig om fascinerend te zijn. Het is het verhaal van een handjevol ridders dat uitgroeide tot een Europese supermacht. Het kwam ten val door de schulden van een koning, en in Portugal bleef het, bijna als enige plek in Europa, gewoon bestaan onder een nieuwe naam. Van de kille kerkers van Chinon tot de zonovergoten Charola van Tomar en de granieten stilte van Monsanto: dezelfde orde, twee compleet verschillende aflopen.

Misschien is dát wel de echte kracht van deze plekken: niet het mysterie zelf, maar hoe tastbaar en voelbaar de geschiedenis er nog is. Sta je in de ronde kerk van Tomar, dan sta je op precies de plek waar ridders acht eeuwen geleden knielden, geld beheerden en plannen smeedden voor een wereld die zich net begon te openen.

Voor de ‘energie-voelers’ onder ons: er is op deze plekken heel veel te ervaren. Plekken als Tomar en monsanto hebben veel kennis en vertellen deze ook, voor wie daar open voor staat.